Leerklimaat

Contextvrij leren bestaat niet  (Sternberg & Grigorenko, 2001). De omgeving kan een bepalende, levens veranderende impact hebben op leerlingen (Lipton, 2005; Rossi , 2002). Bij Leerklimaat gaat het om het besef dat de omgeving een grote invloed heeft op de leerprestaties van leerlingen in alle leeftijdsgroepen. Omgevingsfactoren kunnen het leerproces zowel storen als ondersteunen. Goed omgevingsbeheer ten behoeve van een positief leerklimaat is voorwaarde voor succes in leren.

Invloed van omgeving

Bij Leerklimaat gaat het om het besef dat de omgeving een grote invloed heeft op de leerprestaties van leerlingen in alle leeftijdsgroepen. Omgevingsfactoren kunnen het leerproces zowel storen als ondersteunen. Goed omgevingsbeheer is voorwaarde voor succes in leren. Een krachtige leraar beheert de verschillende omgevingsfactoren actief om het succes van zijn leerlingen te begeleiden. De prettige inrichting van het lokaal is van zeer groot belang (vandaar dat we er een apart thema aan wijden; Inrichting Lokaal) maar leerklimaat is meer dan inrichting alleen. Een krachtige leraar houdt continue rekening met de vier omgevingsdomeinen die bepalend zijn voor de kans of de leerlingen slagen of niet.

 

4 omgevingsdomeinen

De 4 omgevingsdomeinen zijn:

  1. Fysieke omgeving (wordt apart beschreven bij thema Inrichting Lokaal)
  2. Sociale omgeving
  3. Leeromgeving (enkele onderdelen binnen dit thema worden apart beschreven bij thema Inrichting Lokaal)
  4. Culturele omgeving

 

1. Fysieke omgeving

De Fysieke omgeving; zie voor beschrijving het thema ‘Inrichting Lokaal’

2 Sociale omgeving

Leren op school is geen individuele activiteit. Door leerlingen met elkaar en van elkaar te laten leren, weten we dat dit zorgt voor meer hersenactiviteit en is de kans dat leerstof beklijft groter. De leraar dient daarom alert te zijn op het ontwikkelen en behouden van een positief klasklimaat. De leraar stimuleert daarmee  ook de  “21st century skills” zoals invoelen, begrijpen, onafhankelijk durven zijn.

 

3 Leeromgeving

De leeromgeving is enerzijds hoe er door de leraar en leerlingen tegen leren wordt aangekeken. Een krachtige leraar houdt het behalen van succes permanent in de gaten. Leren is leuk en brengt je vooruit. Anderzijds is de leeromgeving zelf het leermiddel (Bijv. in PO onderbouw: inrichting van de hoeken. Bijv. in PO midden- en bovenbouw: spellingsposters. Bijv. in VO: Tijdbalk Geschiedenis.)Krachtige leraren staan voor een positieve kijk op leren in een functioneel ingericht lokaal. Voor dit laatste deel, zie thema Inrichting Lokaal.

 

4 Culturele omgeving

Gedrag van leerlingen zit niet alleen in de genen. Een krachtige leraar denkt na over welke leercultuur hij wil creëren met zijn klas.

Zo zijn er te onderscheiden:

  • Succescultuur is de manier waarop leraren en ouders kinderen ondersteunen in hun ontwikkeling. Waarneembare ontwikkeling is het succes waarbij inzet net zo belangrijk is als aanleg.
  • Karaktercultuur hecht waarde aan verantwoordelijkheid, eerlijkheid en billijkheid. Leraren en ouders gaan  van het principe uit dat we allemaal het verschil maken en dat ook doen.
  • Respectcultuur betekent dat er een sfeer heerst waar in iedereen gelijkwaardig is. De krachtige leraar stimuleert zijn leerlingen op zoek te gaan naar overeenkomsten en onderlinge verschillen te respecteren.

Bij het onderdeel Handelen wordt de Leeromgeving en de Sociale omgeving nader uitgewerkt. Uitwerking van de Fysieke omgeving treft u onder het thema Inrichting Lokaal. Voor handelingssuggesties binnen de Culturele omgeving en aanvullende handelingssuggesties kunt u gebruik maken van ‘Krachtig Onderwijzen’ , Eric Jensen, Bazalt 2012.

 

Leeromgeving (positief leerklimaat)

Bevorder een positief leerklimaat door o.a “Inspanningen te erkennen en bevestiging te geven”.

Bevestiging geven

Wat kunt u doen om inspanningen van uw leerlingen te bevestigen?

  1. Vertel een persoonlijk verhaal over wat u moest doen om iets te bereiken en hoeveel inspanning dat kostte.
  2. Zoek voorbeelden van sporters, voorbeelden uit films, uit boeken van mensen die niet opgaven en er voor gingen om iets te bereiken.
  3. Laat leerlingen zelf voorbeelden geven van iets wat ze met moeite en inspanning hebben bereikt
  4. Houd inspanningen en prestaties bij met onderstaande Inspannings- prestatietabel, toe te passen vanaf groep 4 tot groep 8 PO
RekenenBlok …… Opdracht InspanningWeinig – veel PrestatieLaag – Hoog
Maandag Getallenlijn tot 100 1—2—3–4 1—2—3—4
Dinsdag Keersommen tafel van 4 1—2—3–4 1—2—3–4
Woensdag Erbij sommen over tientallen 1—2—3–4 1—2—3–4
Donderdag Klokkijken hele / halve uren 1—2—3–4 1—2—3–4
Vrijdag Verhaalsommen 1—2—3–4 1—2—3–4

In bovenstaande tabel staan de cijfers voor de volgende uitspraken:

Inspanning

4: Ik heb aan de opdracht gewerkt totdat deze klaar was. Ik ben er aan blijven werken, zelfs als het moeilijk was of ik niet meteen een antwoord wist. Ik heb geleerd zelf problemen op te lossen.

3: Ik heb aan de opdracht gewerkt totdat deze klaar was. Ik ben er aan blijven werken zelfs als het moeilijk was of ik niet meteen een antwoord wist.

2: Ik heb aan de opdracht gewerkt maar ben gestopt toen het moeilijk werd.

1: Ik heb bijna niet aan de opdracht gewerkt

Prestatie

4: Ik heb meer bereikt dan de doelen van de opdracht namelijk:

3: Ik heb alle doelen van de opdracht bereikt

2: Ik heb een paar doelen van de opdracht bereikt

1: Ik heb de doelen van de opdracht niet bereikt

 

Erkenning geven

Wat kunt u doen om Erkenning te geven?

  1. Wees duidelijk wat u van de leerlingen verwacht door het doel van de opdracht uit te leggen en aan welke criteria de eindprestatie moet voldoen
  2. Zorg dat erkenning zo persoonlijk mogelijk is. Erken op persoonlijke prestatienorm en niet op basis van de algemene norm.  Bijvoorbeeld bij “Verspringen”. Laat leerlingen een eerste sprong doen en bespreek met hen hoeveel verder ze denken te  kunnen springen. Bepaal het cijfer op basis van het behaalde groeipercentage. VB:
    Jeffrey springt bij eerste sprong 1.10 m. Na veelvuldig oefenen komt hij uiteindelijk op 1.50m.   1.10 m gedeeld door 1.50 m x 10 is een 7,3
  3. Koppel symbolen als stickers, diploma’s aan een specifiek leerdoel. Bijvoorbeeld: bepaal met de leerling hoeveel thema woorden met betekenis hij na een week kent. onthouden. Is dat aantal gehaald dan wordt dat gevierd.
  4. Erken de leerling in wat hij goed doet door dat te zeggen, in plaats van te wijzen op wat hij fout doet. Bijvoorbeeld als de leerling:
    • een zin helemaal goed heeft gelezen
    • zonder hulp een woord vindt dat eerst fout gelezen was
    • zelf een fout ontdekt en verbetert
  5. Zorg dat alle leerlingen uw oprechte aandacht en erkenning krijgen (dus niet alleen leerlingen die opvallend gedrag vertonen.
  6. Gebruik de checklist onder het kopje reflecteren.

 

Sociale leeromgeving

Een verbetering in gemeenschapsgevoel op school kan vertaald worden naar hogere toetsresultaten (Gregoire, Ashton & Algina, 2004).

Groepsgesprekken vormen daarbij een belangrijke toevoeging. Structureer uw groepsgesprekken met de coöperatieve structuur zoals bijvoorbeeld ‘Praatkaartjes‘:

  • Leerlingen zitten in groepjes van 4 personen
  • Iedere leerling heeft 4 gekleurde kaartjes
  • In ieder groepje is een wekkertje die staat op 30 sec.
  • De leraar kondigt het onderwerp van gesprek aan (bijv. wat vind je van…., ik houd van…., )
  • De leerling die er wat over wilt zeggen legt zijn kaartje in het midden en drukt de wekker van 30 sec. in. De leerling heeft een halve minuut spreektijd zonder onderbroken te worden.
  • De andere leerlingen luisteren en onderbreken niet.
  • Na een halve minuut gaat de wekker (of als de leerling eerder klaar is zet hij zelf de wekker uit) en kunnen andere leerlingen reageren door hun kaartje in het midden te leggen en de wekker in te stellen.
  • Leerlingen mogen de kaartjes niet achter elkaar gebruiken zodat ze 2 minuten aan het woord zijn.
  • Het groepsgesprek is klaar wanneer alle kaartjes zijn gebruikt of wanneer de leraar een signaal geeft.

U kunt ook gebruik maken van Teambouwers waarbij leerlingen elkaar beter leren kennen en een band opbouwen. In deze opname ziet u een voorbeeld van zo’n Teambouwer.

 

 

Actiepunt   Nooit————————————– Vaak1——-2——-3——-4——-5——-6——-7
Ik zorg voor positieve reacties in de groep
Bij mij willen alle leerlingen met iedereen samenwerken
Ik bespreek de ontwikkeling van leerlingen met de leerling zelf
Ik daag mijn leerlingen uit tot het leveren van prestaties
Ik laat leerlingen bewegen door de keuze van mijn werkvormen
Ik streef naar gezamenlijke verantwoordelijkheid
Ik maak teams van 4 leerlingen en wissel de teams regelmatig
Ik geef erkenning over inspanning of succes bij moeilijke taken voor   leerlingen
Ik bespreek regelmatig de overeenkomsten en verschillen tussen mensen
Leerlingen mogen in mijn les water drinken
Ik stimuleer leerlingen elkaar te coachen
Ik sta stil bij voorbeelden van respectvol gedrag
Ik schrijf succes toe aan inspanning en bekwaamheid
Ik handel oprecht en authentiek
Ik maak bewust gebruik van wat ik weet over het leereffect van   kleuren.
Ik gebruik visuele middelen om inhoud van mondelinge teksten vast te houden
Ik stimuleer leerlingen eerst elkaar vragen te stellen en dan pas aan mij
Ik laat zien dat ik lesgeven leuk vind